niet eerlijk

ZoonS.

Oudste Zoon vertelt over zijn dag op school.

- We leren vanalles over techniek. We hebben letters in een plastic bordje gevacuümd, stickers gemaakt, met laser kunststof uitgesneden, én er was een 3D-printer, en kijk, daar heb ik deze toren mee gemaakt!!

Jongste Zoon zit er steeds stiller bij.

- Wat doet jouw klas met het thema techniek, schat?

Mokkend:

- Wij gaan wasknijpers beschilderen.

fis

die overheid toch

S.

Boos ga ik naar boven, ik wil even alleen zijn. Waarom heb ik zo’n bui? Waarom roept dit soort dingen zo’n heftige reactie bij me op?

Ik prakkizeer.

Onenigheid met Oudste Zoon. Aan tafel. Hij wil op de laatste schooldag z’n iPod meenemen naar school. Maar dat mag niet van mij. Stel dat ‘ie het ding vergeet. Ik ben al blij dat ‘ie gezien de weersvoorspellingen z’n jas waarschijnlijk thuis kan laten dan. Want na school moet hij naar de nso. En tegen de tijd dat ik ‘m zie, is op school de zomervakantie begonnen. Voor Kolonisten en Monopoly geldt hetzelfde. Wie gaat de kaartjes en de biljetten natellen? Hoe kan de school nu vragen…?! Vier op een rij weet Oudste Zoon er na lang onderhandelen uit te slepen. En Koehandel.

Ach, dit is maar een voorbeeld. De oproepen voor ouderhulp op typische vergaderdagen hebben hetzelfde effect op me. En het schoolpoetsen.

Mijn reactie is het probleem.

Ik analyseer.

Het begint met die brief van de burgemeester. Die ik krijg als ik 16 word.

Sweet sixteen, niks ervan. Ik hoor bij de eerste jaargang van vrouwen die hun eigen boontjes zullen moeten doppen. Exact moet ik kiezen! Financieel zelfstandig moet ik worden! Als ik ga scheiden, geen mooie regelingen meer. M’n hand niet ophouden bij m’n man, en al zeker niet bij de overheid.

Ik kies geen exact.

Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid – dan toch ook dankzij ouders die me stimuleren iets te doen waar ik goed in ben, om daar beter in te worden.

Inmiddels ben ik allang financieel zelfstandig. Beter nog: ik werk met plezier. En ben in het reine met het feit dat m’n jongens naar de nso moeten.

En toch wind ik me op over dit soort akkefietjes.

Ik concludeer.

Ik voel me in de steek gelaten.

Door die overheid die mij pal voor m’n 16de verjaardag op m’n verantwoordelijkheden wijst, die me die boodschap met campagnes jarenlang inpepert, door die overheid voor wie ik inmiddels werk, met ziel en zaligheid zelfs, nota bene om diezelfde overheid te verbeteren, te vernieuwen, door die overheid die nu een nieuwe generatie grootbrengt, míjn nieuwe generatie – die verwacht mij 25 jaar later nog steeds op school of op z’n minst aan ‘t hek zodra het háár uitkomt?!

Ik ga naar beneden en doe mijn analyse aan Echtgenoot uit de doeken.

Hij, de rots in mijn branding, snapt mijn redenatie. En zegt:

- Maar hé, weet je hoe het waarschijnlijk gegaan is? Eén kind vroeg of ze spelletjes mochten meenemen op de laatste schooldag. ‘Goed idee!’, zei de juf. Een ander kind vroeg toen of het ook z’n DS mocht meenemen. ‘Is goed’, zei de juf.

Geen opzet. Alleen onhandig. Want Oudste Zoon is verontwaardigd dat hij alleen maar ‘stomme’ spelletjes mag meenemen.

En ik geef daarom gelijk maar even de hele overheid een veeg uit de pan.

…Er zal toch niet een ietsie pietsie heel klein beetje schuldgevoel meespelen in dit verhaal…?

Ik grijns.

Als de overheid dáár nou eens een campagne tegen aan gooide…

vijf keer top

ZoonS.

Eén donkere ruimte met aan drie kanten een klein raam, een stenen vloer, houten tafels en bankjes, en een haardvuur in het midden. Op de tafels liggen leitjes en griffels. Een schooltje van lang geleden. In het Openluchtmuseum.

Oudste en Jongste Zoon gaan direct zitten en beginnen met schrijven. Na een tijdje gaat Jongste Zoon kijken bij de lessenaar van de juf van het schooltje.

- Wat is dat?, vraagt hij.

- Een letterplankje, antwoordt de juf. Hier, ga maar zitten, dan zoek je de letters van je naam. Nee, papa en mama mogen zich er niet mee bemoeien, anders krijgen ze met de plak. Jij kunt dat heel goed zelf!

Jongste zoekt en legt zijn naam. Dan moet hij zijn naam op een leitje schrijven. Dat doet hij ‘aan elkaar’ – terwijl hij net in groep 3 zit en je dat pas in groep 4 leert.

De juf is zwaar onder de indruk. Van die prestatie, maar volgens mij stiekem vooral van zijn oprechte lach en zijn bruine ogen die fonkelen in het kaarslicht…

- Jij krijgt van mij een tien!

- Wij hebben op school geen tien. Wij hebben ‘top’ en ‘flop’, legt Jongste Zoon uit.

Echtgenoot en ik kijken elkaar verbaasd aan.

- Top en flop?, vraagt de juf. Nou, dan krijg je van mij vijf keer top! Dat heeft nog nooit iemand in dit schooltje gehaald! En ik denk ook niet dat iemand dat hier nog ooit zal halen!

- Echt?, vraagt Jongste, weer met die ogen waar ik ook zo van smelt.

- Echt, zegt de juf. Kom je nog eens een keer?

Ja!, belooft Jongste. Hij zwaait de juf gedag en stralend van trots loopt hij naar buiten.

feestje voor drie

ZoonS.

‘Volgende week hebben jullie herfstvakantie en gaan jullie allemaal leuke dingen doen,’ zegt de juf van Oudste Zoon een paar dagen voor de schoolvakantie.

Terwijl wij tot nu toe steeds zeggen: ‘De school is volgende week dicht, dus dan gaan jullie op nso-dagen de hele dag naar de nso.’

Dus als ik op die dag met de jongens naar huis fiets, vraagt Oudste Zoon opgetogen:

- Wat voor leuke dingen gaan we de volgende week doen?

De teleurstelling is groot als ik het onaangename nieuws breng dat Echtgenoot en ik gewoon moeten werken – dat wij geen dertien weken vakantie per jaar hebben.

Zo groot, dat Oudste nog maar net in staat is om huilend verder te fietsen.

Mijn hart breekt, en ik kijk de dag erop meteen wat ik kan regelen qua verlof.

En zo gaan we op minivakantie, en haal ik Oudste en Jongste Zoon vandaag om drie uur uit de nso. We gaan uit taartjes eten, is het plan, maar uiteindelijk eten ze liever thuis taartjes. Daar vinden we ook nog een nieuwe Okki en een nieuwe Bobo op de mat, dus het feest is compleet.

We brengen de middag door aan tafel, met puzzelen, knutselen en Bossche bollen.